Sluit deze website
Verhalen van crisispleegmoeder Lonneke

Twee tranen, één crisis

De tranen lopen nog over haar wangen wanneer ik de voordeur opendoe. Een vriendelijk gezicht lacht me toe. “Hallo, ik kom Nina ophalen,” zegt haar begeleider. Haar blik glijdt langs mij heen, op zoek naar het meisje dat zich achter mijn rug heeft verstopt.

Ik zie een bedenkelijke uitdrukking op haar gezicht. Meteen schieten er allerlei gedachten door mijn hoofd en voel ik de drang om het uit te leggen. Sorry, ze zit niet goed in haar vel vandaag. Er was iets kleins op school gebeurd en eenmaal thuis ontplofte ze.

Ik hoor mezelf bijna ratelen. Ik wil verklaren waarom: de rugzak, de hechtingsproblematiek, de PTSS—alle redenen die haar reacties logisch maken.

Stop. Hou op.

Nina stapt achter mijn rug vandaan en kijkt me doordringend aan.
Ik wil niet dat je het haar vertelt.

Het komt binnen als een klap. Ik ben meteen terug op aarde. Alles wat zij op dat moment voelt, voel ik ook: de boosheid en het verdriet over school, de angst dat haar begeleider haar niet meer lief vindt omdat ze net is ontploft.

Ik kijk haar aan, glimlach zacht en vraag: “Wil je een knuffel?
Haar blik gaat naar de grond. Gelukkig ken ik haar na vijf jaar inmiddels zo goed dat ik precies weet wat ik moet doen. Ik buk, pak haar vast en geef haar een stevige knuffel. Er verschijnt een lach op haar gezicht.

Ga je vanmiddag nog gezellig spelen met de andere kinderen?” vraag ik. Ze knikt en loopt naar de begeleider toe. “Tot vanavond!” roep ik als ze naar de auto lopen.

Ik sluit de voordeur en loop terug naar binnen. De gedachten nemen het weer over: Waarom voel ik toch zo’n drang om alles uit te leggen? Haar begeleider is goed op de hoogte van haar problematiek en hoe ze met dingen omgaat. Bovendien: elk kind huilt weleens, met of zonder achtergrond. Maar toch…

Op dat moment schiet een andere gedachte door mijn hoofd. Mijn afspraak!
Ik kijk naar de klok: nog twintig minuten om er te komen. Snel gris ik mijn spullen bij elkaar en trek mijn jas aan, wanneer de telefoon gaat.

Neeeeee, niet nu!

Ondanks dat ik eigenlijk geen tijd meer heb, voel ik toch de drang om te kijken wie er belt.
Op het scherm staat: Meldpunt Crisishulp.

De adrenaline schiet door mijn lijf en opnieuw nemen de gedachten het over.
Wat als ze vragen of ik plek heb? Wat zeg ik dan? Moet ik mijn afspraak afzeggen? Kan Nina het op dit moment wel aan? Kan ik het passend maken of is mijn agenda de komende weken te vol? Misschien gaat hij gewoon naar school. Misschien kan hij zelfs met me mee. Adem in… voor alles is een oplossing.

Hallo,” probeer ik zo kalm mogelijk te zeggen. Een vriendelijke maar gehaaste stem antwoordt: “Hallo, meldpunt crisishulp XONAR. Ik bel om te vragen of jullie plek hebben voor een crisisplaatsing. Het gaat om een jongetje van acht jaar. Verder zijn er nog geen bijzonderheden bekend.

Uit ervaring weet ik inmiddels dat het meldpunt vaak niet alle informatie heeft. De bijzonderheden komen meestal pas tijdens het crisisoverleg naar boven, of—als je geluk hebt—al bij de overdracht.

En toch, ondanks alle gedachten en het gebrek aan informatie, hoor ik mezelf zeggen:
Hij is zeker welkom bij ons. Wanneer zijn jullie ongeveer hier?